Beeldverhalen over de drukke, avontuurlijke levens van mijn Barbie- en Ken-poppen, hun vrienden en kennissen.
Het leven is nooit saai!
Hoofdstuk 40 – Vreemd ontvangst
Tijd om te lezen:

Na het weekend komt Claire overstuur thuis. Ze loopt achterom waar JP en Noa bezig zijn met opruimen op het braakliggende terrein naast de keuken.
“Mijn tas is gestolen!” roept ze uit. “Gewoon op mijn werk, uit mijn locker!” Ze ploft op een stapel stenen.
Verbaasd kijken de mannen haar aan.
“ Dat zou toch een veilige omgeving moeten zijn,” zegt Noa.
JP zet rustig de hark tegen de muur en pakt zijn telefoon. “Ik ga Frits bellen.”
Lisa komt naar buiten. Het lijkt wel of ze gevoeld heeft dat er iets mis is, want ze kijkt bezorgd.
Claire legt uit wat er is gebeurd; ze is inmiddels iets gekalmeerd.
“Ik voel me zo kaal zonder tas,” besluit ze zacht.
“Ik wilde net de post uit de brievenbus halen, maar dat heeft al iemand anders gedaan,” zegt Lisa droog. “Op klaarlichte dag is hij opengebroken en leeggehaald!” vervolgt ze verontwaardigd. “Hopelijk zat er niets bijzonders bij de post.”

Als Frits even later de keuken binnenkomt, zet JP net een mok thee voor Claire neer.
“Ik heb deze post op straat gevonden,” zegt hij terwijl hij een hand met twee enveloppen ophoog houdt. Hij legt ze op tafel en Lisa bekijkt het meteen.
“Ik heb ook jullie opengebroken brievenbus gezien,” zegt hij. “Wat is hier aan de hand?”
Als het stil blijft, richt hij zich tot Claire.
“Ik heb op kantoor meteen aangifte voor je gestolen tas gedaan. Heb je jouw pas al geblokkeerd?” vraagt hij Claire.
“Dat doe ik meteen,” zegt ze. “Gelukkig had ik mijn telefoon meegenomen naar mijn bureau. Dank je wel voor de moeite Frits.”
“Graag gedaan,” antwoordt hij. “Ik ben blij dat ik iets voor je kan doen.”
Nog diezelfde dag herstelt JP de brievenbus.

Enkele dagen later komen de DNA tests binnen. JP en Frits willen bij elkaar de tests afnemen, maar dat vindt Mimi geen goed idee; want ze wil niet het risico lopen dat er besmetting plaatsvindt. Een beetje nerveus kijken de mannen elkaar aan, halen hun schouders op en om de beurt openen ze hun mond, terwijl Mimi plechtig met de staafjes langs de binnenkant van hun wangen gaat.

Aan het eind van die week gaan de twee stellen naar het noorden om de ouders van Jean Paul te bezoeken. Flora en Frits blijven achter de heg staan wanneer JP met Lana naast zich aanbelt. Hij wil zijn ouders niet laten schrikken door Frits meteen mee te nemen. Zijn moeder is, zolang hij zich kan herinneren, depressief en teruggetrokken. Met zijn jongere broer en zus heeft hij weinig contact gehad. Ze zien elkaar zelden en spreken elkaar eigenlijk alleen op verjaardagen.
In de huiskamer, bij een kop koffie, vertellen Bernard en Elise hoe het met zijn broer en zus gaat. Ze vragen niets over JP of Lana en kijken Lana nauwelijks aan. Ze voelt zich ongemakkelijk bij haar schoonouders. JP merkt het en kapt een ellenlang verhaal over zijn broer abrupt af.
“Heb ik een broer waar jullie me niets over verteld hebben?”

Het wordt muisstil in de huiskamer. Dan begint zijn moeder te huilen.
“Ik wist dat dit ging komen,” mompelt ze tussen haar snikken door.
“Nee,” zegt Bernard kort, “dat kon je niet weten.”
Elise snuit haar neus, recht haar schouders en kijkt haar oudste zoon aan.
“Heb je hem ontmoet?”
“Ja,” antwoordt JP. “En dat kun jij ook, want hij staat hier voor de deur.”
Zijn moeder schrikt en kijkt hem even later hoopvol aan, met natte ogen. Bernard zit nors naast haar op de bank, zijn armen strak over elkaar.
“Ga hem alsjeblieft halen,” zegt Elise zacht.
Even later komen Frits en Flora achter JP aan naar binnen. Flora gaat naast Lana op de bank zitten.
“Jullie zijn ook een tweeling!” roept Elise uit.
“Zijn wij ook een tweeling dan?” vraagt JP verbaasd.
Zijn moeder knikt. “Eeneiig.”

Ze staat op en loopt naar Frits. “Mag ik je omhelzen, jongen?”
Frits knikt. Als hij zijn armen om haar heen slaat, slaakt ze een zucht van verlichting en er verschijnt een gelukkige glimlach op haar gezicht. Dan ziet ze het gezicht van Bernard. Hij zit nog steeds roerloos en kijkt haar boos aan. Haar gezicht betrekt. Ze maakt zich los uit de armen van haar verloren zoon en gaat weer naast haar man zitten.

Elise kijkt verwonderd en ontroerd naar de vier jonge mensen: Lana en Flora op het ene bankje, JP en Frits tegenover hen. Ze denkt even na en knikt.
“Ik had een hartsvriendin, Sophie,” begint ze. “We zijn tegelijk getrouwd met onze jeugdliefdes. We werden tegelijk zwanger en volgden samen de zwangerschapsgym. Mijn bevalling was zwaar. Sophie bleef zo lang mogelijk bij me, maar moest na twee dagen naar huis voor haar eigen bevalling. Helaas ging daar iets mis. Haar zoontje is bij de geboorte gestorven.”
Ze kijkt Frits verdrietig aan.
“Ik was zwak na de bevalling. Sophie had zo’n verdriet en zoveel melk. Ik heb voorgesteld dat ze een van mijn jongens zou zogen. Thuis stond alles nog klaar voor haar kindje… en zo nam ze jou mee.”

Elise kijkt haar jongste zoon aan. “Je bent vijf minuten jonger dan Jean Paul. Je bent vernoemd naar mijn vader. Hij was politieman.”
Frits kijkt haar verbaasd aan. “Dat is bijzonder. Ik ben ook politieagent. Rechercheur zelfs.”
Ze kijkt hem trots aan. “Dat vind ik mooi. Een eerbetoon aan mijn vader. Hij was een mooie man.”
“Waarom ben ik niet naar je teruggebracht?” vraagt Frits.
“Ik werd al snel weer zwanger,” zegt ze zacht. “Het was een zware tijd.”
Bernard onderbreekt haar. “Nu is het genoeg. Je maakt je moeder van streek.”

Elise springt op, loopt naar Frits en slaat haar armen om hem heen.
“Ik heb altijd van je gehouden, jongen,” mompelt ze tegen zijn borstkas. “Ik ben je nooit vergeten.”
Dan loopt ze snikkend de hal in en verdwijnen haar stappen op de trap.

Bernard staat boos op. “Ik wil dat jullie vertrekken. Jullie hebben Elise van streek gemaakt door het hele verhaal weer aan te wakkeren.”
“Vind je niet dat we recht hebben op de waarheid?” vraagt JP boos.
“Eruit!” snauwt Bernard, terwijl hij naar de deur wijst.
Stomverbaasd en verslagen verlaten de twee tweelingen het huis.

